Lamyae Aharouay: 'Zaken doen met uiterst rechts is geen punt meer' – en daarom vertrekt ze nu
Het is de afgelopen jaren haast een sport geworden in Den Haag: het normaliseren van het onnormaliseerbare. We keken er met z’n allen naar, sommigen met een machteloos gevoel, anderen met een schouderophalend ‘zo werkt de politiek nu eenmaal’. Maar nu legt Lamyae Aharouay haar pen definitief neer, en het is alsof er iemand in de vergaderzaal een raam heeft opengegooid. In haar afscheidscolumn doet ze wat ze altijd al het beste kon: met haar haarscherpe blik de kern van de zaak blootleggen. En die kern? Die is grimmiger dan we vaak willen toegeven.
“Zaken doen met uiterst rechts is geen punt meer.” Die ene zin uit haar laatste bijdrage blijft hangen. Het is geen conclusie die ze trekt na een theoretische studeerkameranalyse; het is de observatie van iemand die jarenlang met haar neus bovenop het Binnenhof heeft gezeten. Wat ooit een ongeschreven wet was – een dam tegen partijen die de spelregels van de democratie ondermijnen – is weggespoeld. Niet door een plotselinge aardverschuiving, maar door gestage erosie. En Lamyae Aharouay weigert om dat te accepteren als de nieuwe normaal.
De prijs van ‘gewoon meedoen’
In de wandelgangen wordt er zachtjes gefluisterd over ‘pragmatisme’. Alsof het inschakelen van radicaal-rechtse krachten voor een meerderheid een simpelere rekenkundige optelsom is. Maar Aharouay prikt die luchtbel door. Ze toont haarfijn aan dat het niet om pragmatisme gaat, maar om een keuze. Een keuze om haat en racisme, dat eerst nog netjes buiten de deur werd gehouden, een vaste plek te geven aan de onderhandelingstafel. Het is de politieke versie van de overton window: wat eerst onbespreekbaar was, wordt door herhaling en een gebrek aan weerstand uiteindelijk ‘gewoon een mening’. De prijs daarvoor is niet alleen de geloofwaardigheid van de instituties, maar ook de veiligheid en het gevoel van erbij horen van hele groepen mensen in dit land.
Haar vertrek is dan ook meer dan een personele wisseling. Het is een statement. Iemand die met zoveel precisie wist te verwoorden wat er misging, stopt ermee. Niet omdat ze het niet meer aankan, maar omdat ze weigert te wennen aan de kou. De afgelopen jaren heeft ze in haar werk consequent een rol vervuld die je bijna zou vergeten in de waan van de dag: die van de ongemakkelijke vraagsteller.
- Hoe kan een kabinet dat zegt voor ‘normaal doen’ te staan, structureel samenwerken met partijen die de rechtsstaat relativeren?
- Waarom wordt de retoriek die decennialang als taboe gold, nu afgedaan als ‘een andere mening’?
- En wat betekent het voor de toekomst van de democratie als het morele kompas vervangen wordt door een rekenmachine?
Dat zijn de vragen die Lamyae Aharouay stelde. En omdat het antwoord steeds vaker ongemakkelijk of simpelweg afwezig was, koos ze voor een ander podium. Niet om te zwijgen, maar om op een andere manier haar stem te laten horen. Het is een verlies voor de Haagse journalistiek, die de afgelopen jaren al zo vaak te kampen had met het vertrek van scherpe geluiden.
De stilte na de klap
Wat blijft er over als het stof is neergedaald? De reacties op haar afscheid zijn veelzeggend. Waar sommige politici haar werk wegdrukten als ‘betweterig’, was de herkenning bij een groot deel van het publiek overweldigend. In de wandelgangen van de Kamer, maar ook op straat, wordt erkend dat ze een seismograaf was. Ze voelde de trillingen voordat de rest van het land merkte dat de grond aan het schudden was. Dat ze nu vertrekt, dwingt ons om na te denken: zijn we de grens echt kwijt? En als die grens er nog is, waarom wordt hij dan door niemand meer bewaakt?
Voor iedereen die de Haagse politiek de afgelopen jaren een beetje heeft gevolgd, is het duidelijk: het vertrek van Lamyae Aharouay is een kantelpunt. Het is het moment waarop de waarschuwingen niet langer op een briefje staan, maar in grote, zwarte letters op de muur. Of Den Haag deze les ter harte neemt, is de grote vraag. Maar één ding is zeker: ze laat een leegte achter die niet zomaar wordt opgevuld. En terwijl de onderhandelingstafels zich weer vullen met dezelfde mensen die haar tot het uiterste dreven, blijft de vraag hangen: wie durft er nu nog te zeggen dat de keizer geen kleren aan heeft?